allevogels


advertentieruimte

ook een website?

www.websitewf.nl

Alectura lathami

Australische boskalkoen - Alectura lathami - Australian Brushturkey

De Australische boskalkoen is een van de 22 soorten binnen de familie grootpoothoenders (Megapodiidae). De verschillende soorten komen voor in Azië, in Australië en op verschillende eilanden daar tussenin. Het geslacht Alectura bevat slechts één soort, onze boskalkoen. De naam alectura staat voor penseel of borstel, wat voor ons niet helemaal duidelijk is. Ook niet duidelijk is de naam van de ontdekker. De Engelse ornitholoog John Latham wordt genoemd als ontdekker van het geslacht Alectura, maar Grey wordt gezien als eerste beschrijver van de boskalkoen. En dat terwijl het geslacht alleen de boskalkoen als soort heeft. Vreemd.

De boskalkoen komt voor aan de gehele oostkust van Australië, van het milde zuid-oosten tot het tropische noord-oosten met heuse regenwouden. In de dichte bossen aan de kust en op bergketens leven deze grote kalkoenen een grootdeels verscholen leven. Ze zijn rond de 70 cm groot. In het noord-oosten komt één ondersoort voor, de Alectura lathami purpureicollis. Deze is wat kleiner dan de nominaatvorm en heeft een paarse keelzak waar de nominaatvorm een felgele heeft.

Boskalkoenen leven voornamelijk op de grond, maar kunnen wel kleine stukken vliegen. Ze vliegen voornamelijk bij gevaar en als ze gaan slapen, dat doen ze in bomen. Het zijn echte groepsdieren, ze trekken in flinke groepen door het woud. Hun poten zijn aangepast aan het grondleven en hebben zeer sterke klauwen. Hiermee woelen ze de bosbodem om op zoek naar voedsel.
Dat voedsel bestaat uit reptielen, amfibieën, insecten en larven, zaden en fruit.

Het broedproces is bijzonder te noemen, deze kalkoensoort broedt namelijk niet zelf de eieren uit maar maakt gebruik van de broei in een berg compost. De berg bouwen de vogels zelf als groep. Zo'n groep bestaat normaliter uit een dominante haan, wat "ondergeschikte" mannetjes, een aantal hennen en jonge dieren. Een broedheuvel wordt het hele jaar keurig onderhouden en eigenlijk constant uitgebreid, er zijn heuvels gevonden van enkele meters in doorsnee.
In de broedtijd wordt de keelzak (eigenlijk is het een lel, maar keellel is zo'n raar woord) bij de haan een stuk langer en feller van kleur. Ook het rood op de kop wordt feller. De dominante haan inspecteert de broedheuvel en maakt er een flink aantal gaten in. Hij controleert de temperatuur door zijn kop diep in de heuvel te steken. Vermoed wordt dat de vogel de temperatuur meet met zijn tong, maar bewezen is dat nog nooit. Door meer gaten te maken of juist door meer materiaal op de heuvel te leggen, beïnvloeden de vogels de temperatuur binnenin de heuvel. Hoe ze weten wat te doen, is niet geheel duidelijk, kennelijk communiceert de haan met de andere groepsleden. Dat het systeem werkt is wel duidelijk, het lukt de boskalkoenen de heuvel constant op precies 34 graden te houden.

Als de heuvel naar wens is, maakt de haan lage geluiden en pronkt door zijn lichaam heen en weer te zwaaien. Hij probeert zo meerdere hennen te verleiden tot paren. Dat lukt vaak en elke hen legt een flink aantal groene eieren in de gaten in de heuvel. Per hen 12 tot 15 stuks maar liefst, zodat er in één heuvel enorm veel eieren komen te liggen. Elk ei wordt toegedekt en de broei in de heuvel zorgt voor het ontwikkelen van de embryo's. De groep, en vooral de haan, houdt de temperatuur goed in de gaten door regelmatig de gaten open te maken en de kop diep in de heuvel te duwen, soms moet er wat materiaal af, soms wat er bij.

Of je dit broeden moet noemen weten wij niet, maar na 7 weken komen de eieren toch uit. Dan is het echter plotseling gedaan met enige vorm van broedzorg, de jongen moeten zichzelf uitgraven en de oudervogels kijken er totaal niet naar om. Ze hebben geen eitand en moeten de schaal openbreken met hun poten. Voor rovers als slangen en varanen waren veel eieren al een prima prooi, jonge boskalkoenen lusten ze ook wel. De natuur heeft de jongen echter een voorsprong gegeven. Ze hebben erg lang in het ei gezeten en zijn daarom als behoorlijk ontwikkeld als ze uitkomen. Ze hebben zelfs al veren en zodra ze opgedroogd zijn, kunnen ze al een stukje vliegen naar een veilige boom. De term nestvlieders zou ze dan ook te kort doen, je zou haast nestvliegers moeten zeggen.

Jonge boskalkoenen zwermen uit en zoeken een groep om zich bij aan te sluiten of richten zelf een nieuwe op met jongen uit andere nesten. Op deze manier wordt inteelt (veel jongen van één vader) toch zoveel mogelijk voorkomen. Boskalkoenen kunnen rond de 20 jaar oud worden.

Onderzoek heeft aangetoond dat de temperatuur van de broedheuvel zeer nauwkeurig bijgehouden wordt en daarbij nog een vreemd verschijnsel ontdekt. Als de temperatuur de hele broedperiode 34 graden is, komen er evenveel hennen als hanen uit. Als de temperatuur iets lager is, komen er meer haantjes en als het net wat warmer was, worden er meer hennetjes geboren. Dit verschijnsel was al bekend bij reptielen maar nog niet eerder bij vogels gevonden. Ook bleek dat als de temperatuur maar een paar tienden hoger was dan 34 graden, de jongen sterker waren dan anders. Dit is tot nu toe niet verklaard.

De Australische boskalkoen, een aparte vogel met een paar vreemde geheimen.

Terug naar boven


Copyright Allevogels.nl
Overname van foto's en/of artikelen is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de beheerder van allevogels.nl. De copyright-rechten blijven te allen tijde bij de oorspronkelijke auteur cq fotograaf, geheel in overeenstemming met de Wet.